Reiservaringen

2014

Rene Huigens
Met name het mobiele café van Wim en Janny en de volgauto/trailer met Arie waren klasse. En de sfeer was gewoon zo dat de kameraadschap mét de dag groeide.
Robin Smolders
Goed te doen. Iedereen hetzelfde doel. Alle neuzen in dezelfde richting. Mooie herinneringen.
Aleid van der Maat
Het was in totaal stukken goedkoper dan ik had gedacht. Terugrijden naar Nederland met de volgauto was heel handig
Harry Alkema (uit Canada)
Some cyclists had a little problem, others rode wrong, but for me it was beyond expectations.
Harrolf Staal
Gun Arie in 2015 een auto met airco!
Janny Hakkert
De kwaliteit van de campings was wisselend maar prima. De collegialiteit nam met de dag toe en was mooi om te zien.
Marijke Zaalberg
Het was een fijne fietstocht. We hebben het erg leuk gehad. Als ik gezond blijf dan schrijf ik me in voor 10 jaar!!!
Yvonne Drenth
Een gezellige groep! Leuk om elkaar onderweg steeds tegen te komen en een stukje samen op te fietsen, of om op de camping even gezellig met elkaar bij te kletsen! Ook de volgauto kwam ons goed van pas voor de bagage en tijdens pech.
Dick van Dam
Iets minder kilometers per dag mag wel. Maar 100 kilometer per dag is voor mij persoonlijk goed te doen.
Rinke de Graaf
Ik kreeg de smaak steeds meer te pakken; ook mijn eigen ‘organisatie’ verliep steeds beter en dus … ben ik nog een paar weken doorgefietst. Het was een geweldige ervaring en een sportieve uitdaging. Het blijkt elke keer dat elke etappe een ontdekkingsreis is die vooraf niet kant en klaar aangeleverd kan worden. Er is veel voorwerk verricht om deze bijzondere tocht mogelijk te maken.
Erna Ravoet
Er is een mooi bedrag aan camping kortingen gescoord voor het goede doel. Leuk die mooie foto’s achteraf in Dropbox.
Rutger van Zwieten
Wifi op de campings werd door mij hier en daar gemist. De wisselende samenstelling van fietsers onderweg waren verrijkend.

Verslag van een deelnemer

Reiziger in berlijn

Reiziger in berlijn

In 2014 kocht ik in Schleswig een echte fietsbroek, zo eentje met een schuimplastic inlegger. Na vier maal 100 km en een hele dag zware regen was het daar beneden wat rauw, wat me gelukkig stemde omdat sponsorfietsen iets van lijden in zich moet hebben.

Maar de vraag ‘waar fiets ik naar toe’ hoefde ik niet uit te leggen: de reis ging naar de Hemelberg bij Silkeborg, nog 350 km verder. Schleswig was nog maar een tussenstop, zelfs nog niet in Denemarken.

Dat werd anders toen ik vanaf de Hemelberg van pelgrim reiziger werd: de sponsortocht was duidelijk want ik ging van Beilen naar Denemarken, mijn sponsors hebben daar € 1.400 aan bijgedragen en ze hebben waar voor hun geld gehad.

Maar als reiziger die weer terug naar huis moest had ik geen specifiek doel meer, ik reisde alleen maar in een algemene richting. Ergens naar het zuiden, maar nooit twee maal dezelfde weg. Liefst met de wind mee, heuvels en grindwegen waren er genoeg geweest. Als reiziger was ik nu vaag, als toerist of als pelgrim tot aan de Hemelberg wist ik alles zeker. Een van de vreugden als reiziger is het onbekende, de vaagheid, zijn de onverwachte ontmoetingen. Thuis kon ik dan wel nalezen wat ik als toerist allemaal gemist zou hebben.

Want hoe herinner ik me deze tocht die 1.350 fietskilometers geduurd heeft? Door dat mannetje dat me de verkeerde weg wees, zodat ik niet via Zweden terug ging maar via Rostock -hoewel me dat op de mooie fietsroute Kopenhagen- Berlijn bracht. En door de blauwe flits van een ijsvogeltje ergens in het Pruisische land, door de Slavische namen van de dorpen, door de liter ijskoude appelsap bij die hippies in een vergeten DDR-dorpje, door de 150 km die ik op de laatste fietsdag wegtrapte, onder een staalblauwe hemel en bij ongeveer 40° C, op de laatste camping in Spandau (Berlijn) waar een paar simpele zielen jaren-’60 muziek op oorlogssterkte afspeelden, door de knallen van kanonvuur aan de overkant van de Havel waardoor ik al om 23.00 u wakker werd.

Pelgrim op de Elbe

Pelgrim op de Elbe

Door zó te reizen heb ik niets gemist, het was allemaal verschrikkelijk mooi, ik voelde me haast gegeneerd over mijn geluk. In het Duits heet dat Künstlerschuld, de emotie die een schilder voelt over zijn frivoliteit in een wereld waar mensen sleurwerk doen waar ze somber van worden. Misschien bestaat er ook iets als reizigersschuld, doordat je onafhankelijk bent, toegeeft aan je eigen grillen en van het ene tafereel naar het andere reist, stralend of ellendig, dat maakt niet uit.

Kreeg ik dan geen last van mijn geweten? Ik zei tegen mezelf dat mijn fietsen me bevrijdde van elke schuld; maar dat was natuurlijk maar een zwak excuus. Dit was genieten. Geen schuldgevoelens, alleen maar dankbaarheid.(*)

Hugo Waalewijn

Sponsorfietstocht 2015 naar Reims. 

The Ride on Education versie 2015 in een (grote) notendop. 

Een belangrijke les van deze fietstocht was –dat een paar van de merkwaardigste volksstammen vlak naast je blijken te wonen. 

Ik was dit jaar lui: had ik de voorgaande 2 sponsorfietstochten naar Schotland en naar Denemarken niet zonder noemenswaardige inspanning uitgereden? Dat ik 3 maanden daarna een hartinfarct kreeg had er dus niets mee te maken.

Voerde de tocht dit jaar niet naar bekende streken? Belgen en Fransen zijn toch mensen die we op onze levensweg wel vaker tegenkomen, en ook de route voerde dit jaar naar bekend terrein: de Bel­gische Kempen, de oude mijnstreek rond Charleroi, de uitgestrekte heuvels in Noord-Frankrijk. Welke uitdaging zou ik daar tegemoet treden? Geen enkele toch want dit deel van de wereld is nauwgezet in kaart gebracht, en alle wegen en paden zijn via Google-maps tot op microniveau te bestuderen als je het niet vertrouwt.

Waarom zou je het niet vertrouwen, dat was een vraag waar ik me niet druk over maakte. Hadden mijn nauwgezette medebestuursleden van ‘The Ride on Education’ de route niet tot op de millimeter uitgezet? Hoeveel Belgen en Fransen ken ik niet, en die zijn toch redelijk normaal te noemen.

Maar het ging allemaal anders; het gaf me onderweg een opgewonden gevoel -juist omdat ik zoveel dingen anders zag dan ik had verwacht.

Kwam dat door het verschuivende perspectief of omdat ik als buitenlander -zodra ik de Nederlandse grens overschreed- op een andere wijze naar m’n omgeving en naar de mensen keek dan ik me tevo­ren had voorgenomen of had bedacht.

Op de een of andere manier heb ik in België en in Frankrijk ervaren wat ik in mijn reis door eerst de Achterhoek en daarna door Noord-Brabant en Limburg al voelde aankomen, dat die zuidelijke stre­ken het vermaarde en gevreesde Zuidland lijken te naderen. Eerst ontstaat het gevoel dat er een leegte bestaat op plaatsen waar je mensen in dorpen verwacht maar door het aroma niet veel meer merkt dan de aanwezigheid van varkens, daarna blijkt de leegte toe te nemen. Die leegheid wordt versterkt door de enkelingen die je onderweg tegenkomt. Een eenzame wandelaar die je vraagt of de verderop afgesloten weg echt ontoegankelijk is en of je dat op je fiets niet even snel wilt checken. Of een fietser die z’n band staat te plakken bij een verlaten kantoorpand op een stil industrieterrein. Of op alle oorlogskerkhoven onderweg waar de stilte van de graven je sowieso de adem beneemt, en waarbij ik me afvroeg of men die oorlog destijds niet gewoon had kunnen voeren zonder weder­zijdse beschietingen; het land was -of leek op z’n minst- nog steeds onbewoond.

Maar ik wilde rondkijken en mijn eigen indrukken van de streken waar ik doorheen kwam opdoen. Mijn fietstocht was niet als stunt bedoeld, geen bewijs dat m’n hart wel weer in orde was, geen ul­tieme uitdaging. Wel moest een tegenprestatie worden geleverd voor de € 1.300 die mijn sponsors hadden bijgedragen. Maar stond mijn luiheid dat niet in de weg, kon ik mijn hartfalen als excuus in­zetten?

De dag dat ik vertrok was het warm, tot bloedens toe: het record van Warnsveld (1944) schijnt niet gehaald maar fietsen bij een vergelijkbare temperatuur over luwe zandpaden langs een zonbesche­nen bosrand bracht het kwik daar ver boven. De excursieleider in Wesepe had er alle begrip voor dat we een bezoek aan zijn bloemenpluktuin tot een later tijdstip uitstelden; hij zal er net zo blij mee zijn geweest want zo kon hij er thuis nog eentje nemen. De rondleiding van de campingbaas door zijn verzamelingen was ook warm, gelukkig.

De preek van emeritus Grutter in Deventer was van een zuivere helderheid: Esther had het destijds ook niet makkelijk, wat stimuleerde tot een verkoelende fietstocht. Fietsers zullen het nazeggen: slechts bij sterke mee-wind krijg je het warm, waarom ik de heuvels en het warme zand rond de Posbank heb vermeden. Dat werd afgestraft door wegomleggingen onder Zutphen vanwege smel­tend asfalt en een heuse windhoos tijdens de overtocht naar Millingen. Deze route-inkorting werd teniet gedaan door de langere dagetappe, iets wat me de 1e dag ook al was opgevallen. Dan denk je nog aan onervarenheid, gebrek aan training, mogelijk eigen lichamelijk gebrek.

Het stuk Duitsland tot aan Groesbeek bracht weinig verrassingen omdat je zoiets van onze oosterbu­ren verwacht: ordelijk maar saai.

Dat was de dag daarop wel anders toen we heuvel-af Cuijk in het vizier kregen: een echte oversteek naar het ruige Brabant van varkens, feestzalen en lange rechte wegen -wat meeviel omdat er een strak zonnetje stond en de wegen lommerrijk bekleed waren. Bij Bavaria kon op voorspraak van een in zonnige outfit geklede fietsster geluncht worden, tot de brouwers ontdekten dat in haar kielzog een groep zigeuners werd meegezogen die gelijk bootvluchtelingen de toegang ontzegd diende te worden, hetgeen geschiedde. De rijk gevulde soep en smakelijke snacks heb ik niettemin bijtijds in de geconditioneerde kantine kunnen nuttigen. Maar voort moesten we, de warmte in, de lange af­stand afleggen, onderweg discussiërend met autochtonen welke stad nu het meest crimineel was: Helmond, Venray, Geldrop of toch Eindhoven. “Heeft u een idee, meneer?” vroeg hij me. Ja, zei ik, maar ik ging me niet in die discussie mengen, want had ik hier niet zelf heen gewild? “U kunt beter omfietsen via de Strabrechtse Heide want dan hoeft u niet door Eindhoven”, maar ik fiets juist graag door steden: al die rode verkeerslichten die je de kans geven te zondigen zonder al teveel na­delig effect, voor een Calvinist een uitgelezen kans waarbij de vraag of het nu om zonde gaat tegen het 5e of tegen het 9e gebod discussiestof voor onderweg oplevert.

Is omfietsen bij een ‘déviation’ trouwens ook niet tegen de regels? Als licht-anarchistisch ingestelde fietser trok ik me daar weinig van aan, want een plekje om als fietser ergens langs te glippen was er meestal wel. Behalve bij het Grand Souterrain in het Canal de St.-Quentin waar me –indien ik een hek met slot zou hebben gemolesteerd– de hellepoort wachtte, of later bij een viaduct waar ik in de teer zou zijn weggezakt. Van omrijden bij levensgevaarlijk vuurwerk was toen nog geen sprake.

 

hellepoort                      ——–                     déviation                   ——-                    natte teer

In Westerhoven bleek dat ik reglementair teveel kilometers gefietst had, hetgeen me een mooie kampeerplek naast het sportveld opleverde en een warme douche tussen ‘de jongens’.

In de bossen de dag erop waren we ineens in België en dan mis je de grensbewaking toch ernstig: wat heeft Schengen voor zin als je als halve neger gewoon de grens kunt passeren.

Aan het ruimtelijke beleid in België herken je het karakter van onze zuiderburen. Iedereen woont langs de doorgaande weg, je auto parkeer je op het fietspad, lantaarnpalen en verkeersborden larde­ren elk fiets- en voetpad en de borden hangen laag genoeg om er met je hoofd tegenaan te kunnen rijden.

Wil je niets uit de frituur dan kun je onderweg het beste bij een illegale Roemeen of geïmporteerde Joegoslaaf terecht voor een stevige snack. Deze fietsdag kende de langste afstand: 120 km in rechte lijn, met als eindpunt een verrassende camping net over de taalgrens. De verrassing is dat al na één meter over de taalgrens men geen Nederlands (Vlaams) meer verstaat, de norsheid tot kunst blijkt verheven en de camping je liever ziet gaan dan komen. Wat dat laatste betreft heeft de snelste fietser maar liefst 5 uur moeten wachten tot hij z’n tent mocht opzetten; dat ik me daar niet zoveel van aan­trok zal met zonde tegen het 9e gebod te maken hebben.

De ingeplande rustdag (noch zon- noch sabbatdag) liep door deze gastvrijheid “kunt u bewijzen dat u hebt gereserveerd, zo niet wilt u dan niet op ons gras lopen en vertrekken en zéker geen gebruik maken van onze toiletten” een deuk op, maar had als voordeel dat men weer terug over de taalgrens ons verstond. Leuven en het buitengewone ijsje nabij de fietsenhersteller vervolmaakten dat alles.

De volgende dag verliep als anders: forse hellingen en warme wegen –nu ook landbouwwegen rij­kelijk opgevuld met nauwelijks gebroken puin–, fietsen tussen stuwmeren en eindigen op een cam­ping met wederom een overspannen campingbaas. Gelukkig hoef je al dat Frans niet te verstaan want er lijkt veel onreglementair gesproken te zijn. Het leidde later wel tot een extra –ingelaste– le­denvergadering om de zielen van de deelnemers te masseren: “Wat is hier gaande in dit Franstalige land?”

Onderweg pakte ik een stukje autosnelweg mee: de route gaf dat aan, het ging hard in de slipstream van al dat verkeer, maar het gevoel dat er iets verkeerd zat liet me niet los. “Is dit wel de bedoeling jongens?’ vraag je dan in je beste Frans, maar veel antwoord krijg je niet. Dan maar níet door Char­leroi, ik zocht m’n eigen route wel.

Daarna naar een camping in gemeentehanden: ’t kost geen drol maar dan heb je ook niet veel. De weg erheen voerde over de Frans-Belgische grens: weer zo’n moment van ontheemding. Is men in weer een ander land ècht niet geïnteresseerd in wie er binnenkomen? Dat hoor je elders toch wel an­ders. Of komt het doordat in dit deel van het dicht bevolkte Europa nauwelijks mensen wonen: elk dorp ademt de stilte van een kerkhof; als er een winkeltje is is dat dicht, en als het niet dicht is dan moet je wel aan de klink voelen of je naar binnen kunt. Ben je zover gevorderd dan kijkt de manne­lijke winkelbediende je steevast aan met een blik: ‘wat mot je in me winkel’, vraag je iets aan een vrouwelijke medewerker dan kijkt ze je aan met een blik of je haar juist een uiterst oneerbaar voor­stel hebt gedaan (wat ik nooit deed, zelfs niet in een andere taal dan het Frans). Oneerbare voorstel­len kun je in Wallonië of Frankrijk overigens best doen: men weigert je te verstaan alsof je Chinees spreekt.

De laatste dagetappe leidde via een heuvelige en warme route, tussen velden met vlas en geurende luzerne naar een camping met zwembad, BBQ, couscous, verbrande handen van Arie en afscheid van elkaar nemen. Waarom bij de barbecue wel vette hamburgers werden aangereikt maar het chi­que vlees in de koeling bleef, schrijven we bij in de categorie van geheimen.

Op precies 650 km vanaf Beilen eindigde mijn sponsorverplichting.

De weg terug? Hoort niet echt bij mijn sponsorprestatie, maar terug wilde ik wel. De heenroute was minutieus vastgelegd door Robin die voor het nageslacht elk plaatsnaambord op de gevoelige plaat vastlegde, slechts af en toe gehinderd door een leeg batterijtje; zo kom ik ook aan een aantal plaats­naamborden.

Eerst maar eens doorgefietst naar Reims want dat hoorde reglementair bij de sponsortocht, waar ik naast de kathedraal koffie met gebak nuttigde, sprak met Vlamingen die bevestigden dat het met de Walen nooit goed komt. Die extra 80 km naar Reims en vice versa mag desgewenst bij mijn spon­sorprestatie worden opgeteld.

Daarna pikte ik een fietsroute op die de loopgravenlijn van de 1e WO volgde, bij Soissons, de Som­me, St.-Quentin, de Hindenburglinie, de velden-van-weleer nabij Ieper en langs de IJzer. Op Qua­torze Juillet maakte ik de lokale dodenherdenking mee, tijdens de aansluitende barbecue achter het gemeentehuis die geheel werd geleid en verzorgd door de maire, had ik een gesprek met een geëme­riteerde belastinginspecteur die zijn gebrek aan Engels vocabulaire compenseerde door na de vele glazen rosé namens-het-gemeentebestuur een fijne fles lokale champagne aan te reiken. Treffend was hoe de maire naast zijn ambt tevens campingbaas was en kantoor hield in een verslonsde staca­ravan die geparkeerd stond in een kapschuur op eigen erf. Deze alleraardigste camping op boerenerf middenin de vlek Aizelles omvatte een echt hurktoilet. Dat ik dat mocht meemaken: het vergoedde veel van wat ik tot dan toe bij de Fransen zo node miste: gezelligheid, ontspannen je gemak kunnen nemen.

 

Tegenover het centrum van St.-Quentin werd mijn eerdere oordeel (lees: veroordeling) over onze Franstalige mede-Europeanen verder versterkt toen een mooie Française mij op het jaagpad langs het kanaal de doorgang versperde omdat het klaarliggende vuurwerk levensgevaarlijk voor mij zou zijn; waren de geluidsgolven uit de speakers aan de overzijde van het kanaal dat dan niet, zo vroeg ik haar af. Dat ik minstens 10 km zou moeten terug- en omrijden ontging haar, en mijn protest dat ik geen vlammenwerpers met me meedroeg noch andere ernstige dingen van zins was, vermocht haar niet te vermurwen. List en bedrog maakten het mij in een onbewaakt ogenblik mogelijk de benen te nemen en langs al dat door haar gevaarlijk geachte vuurwerk m’n weg te vervolgen, de Française in verwarring achter me latend. Dan laat ik me liever door een hellepoort blokkeren dan door een sub­jectieve Franssprekende helleveeg.

Niet ver bij het Souterrain vandaan kruiste ik later het Canal du Nord waar schepen 100 meter onder me door het water ploegden. Opmerkelijk hoeveel kanalen het Franse en Belgische land doorkrui­sen, hoeveel rivieren en beken met elkaar verbonden zijn alsof Napoleon niet de uitvinder van lange lommerrijke heirbanen is geweest. Transport per schip is echt iets van een andere samenleving waarbij de winst zit in de vele jaagpaden die voor fietsers buitengewoon vriendelijke routes opleve­ren. Dat hetzelfde geldt voor alle fietspaden over oude spoorbanen geeft te denken, want de stoom­trein is niet aan Napoleon te danken. Troepentransporten naar loopgravenoorlogen zijn daarom in dit deel van Europa niet meer te verwachten.

Halverwege Vlaanderen werd me door een uiterst beminnelijke Vlaming met Parkinson op het hart gedrukt vooral de bron van de Schelde te bezoeken, later viel me op dat deze bron na slechts een paar honderd kilometer tot enorme omvang was uitgegroeid -chauvinisme is begrijpelijk in een landsdeel waar men moeite heeft zin en onzin te onderscheiden maar genieten van de Escaut vanaf de pont Breskens-Vlissingen is zinvoller en stukken bevredigender.

                  de bron van de Schelde                                                de monding van de Schelde

 

In Ieper moest de middeleeuwse Lakenhal uit de 20e-eeuw natuurlijk op de foto, zoals ik ook als een pelgrim even door de Menenpoort moest. De vele poppy’s onderweg –echte en neppe– herinner­den aan wat er 100 jaar geleden in deze contreien allemaal is gebeurd; in het fraai gerestaureerde Arras had ik bij het museum ‘Carrière Wellington’ een krans al ontdaan van een poppy, voor thuis.

Op de laatste camping -maar dat was alweer in Nederland- at ik met het gezin van de campingbaas mee aan tafel en ontving ik een keurig verzorgd ontbijt: B&B zonder bed maar mét diner. Waarmee bevestigd is dat de merkwaardigste volksstammen pas óver de taalgrens te vinden zijn, nabij maar ver genoeg.

Kortom, het was een mooie reis, zonder panne of ander onheil, genieten van elke mooie dag, van elke afdaling na een zware klim, van slapen in een minitentje op een klein matje, van koude ravioli uit blik, van de gesprekken onderweg, van het hemelse gekir van leeuweriken, de miljarden kleine vliegjes waarvan toch zeker een miljoen kortere tijd m’n brillenglazen hebben bewoond, van de geur van luzerne en de glans van vlas. De Schepper heeft het mooi bedacht.

Daar heb ik in 12 fietsdagen 1.200 km lang van mogen genieten.

Hugo Waalewijn, juli 2015