Sprookjes

Kerstbericht 2014 vanaf de planeet GewreV.

‘The Ride on Education goes on’ luidde het Facebook bericht dat Phelion 3 onderschepte toen hij zijn satelliet ontvanger richtte op de Blauwe Planeet. Hij begreep er niet veel van en daarom vond hij het verdacht. ‘Goes on’,  dacht hij, betekent dat niet zo iets als dat het doorgaat? Maar wat gaat er dan door. Wordt er over de opvoeding heen gefietst? Dan gaat er iets kapot, dat kan niet, dat mag niet. ‘Iets verdachts? Melden aan je chef’,  zo was de instructie. Dus twitterde hij door aan zijn Philea Z.a dat er een verdachte actie op komst was op de Blauwe Planeet. ‘Mogelijk wordt de opvoeding bedreigd door iets wat The Ride on Education wordt genoemd’. Z.a Philea richtte haar inter-galactische kijker op de Blauwe Planeet, maar helaas ging die net schuil achter de sterkste ster in het sterrenstelsel SOLA. Dat betekent 0,0017 era wachten. Ze maakte ondertussen haar nagels schoon en poetste haar verstandknobbel op. Toen de Blauwe Planeet eindelijk weer in beeld verscheen, stelde ze haar zoeker scherp op Engels talige gebieden binnen internetwerk wat boven de hele planeet zweefde. Niets, geen enkele verdachte mededeling of afbeelding. Ze was juist bezig een chagrijnig bericht aan Phelion 3 terug te sturen toen haar aandacht werd getrokken door een klein beepje net buiten de rand van het Engels talige gebied . Ze zoomde in. Inderdaad was er getwinkeleer onder de Engels titel The Ride on Education, maar in een andere taal. Ze laadde 2 korte zinnen in haar SOLAr communicatie verkenner en klikte op ‘vertaal’.

‘We gaan naar ….(onbekend woord, andere taal) in Denemarken en fietsen daarbij langs …. (onbekend woord, andere taal)’. Het was maar goed dat ze zojuist haar verstandknobbel had opgepoetst, want die was nu hard nodig. Wat kon hier staan? Ze laadde de zin in de interpretator en klikte op ‘uitleg’. Na 2 kuchjes sprak een vriendelijke maar wat monotone stem:  We is meervoud, betekent hier 2 of meer wezens; gaan is bedoeld als een beweging; naar is een aanduiding van plaats; de naam van de plaats wordt door mijn collega niet herkend; in wil zeggen binnen een entiteit; Denemarken staat voor een regio op de Blauwe Planeet; en wil zeggen dat ze nog meer gaan doen; fietsen is weer een bewegingswoord, het is een soort van zittend lopen op een metalen frame;
“Ja dat weet ik ook wel”, mopperde Philea.
‘Pardon, het is mijn instructie de gehele tekst te interpreteren. Wilt u dat ik slechts enkele delen interpreteer’?
“Nee, nee, sorry, ga door alsjeblieft”.

Daarbij wil zeggen dat ze terwijl ze naar onbekende plaats gaan, ook iets anders doen; langs is een niet rakende ontmoeting, waarschijnlijk wel zichtcontact; daarna wordt weer een plaatsaanduiding niet herkend door mijn collega.
‘Mag ik een opmerking plaatsen’? vroeg de interpretator nu.
“Ja, ga je gang”.
‘De beide plaatsaanduidingen hebben elementen in zich die gelijkend zijn’.
“Interessant, ik zie inderdaad vergelijkbare tekens. Wat kunnen we ermee”?
‘U vraagt advies’?
“Ja”.
‘Ik zie dat de boodschap uit de regio Nederland komt. Ze gaan naar de regio Denemarken, en passeren daarbij de regio Duitsland. Mogelijk kan mijn collega de onbekende woorden vinden in de taal van die regio’s’.
“Bedankt zeg, dat ga ik haar vragen”.  En voordat de stem kon antwoorden ‘Geen dank’, klikte ze de interpretator weg en ging naar de vertaal modus.

Ze voerde de ingewikkelde opdracht in, immers de SOLAr verkenner moest nu twee woorden in twee taalgebieden gaan opzoeken, daar kon een veelvoud aan antwoorden uitkomen, dat voorzag Philea al wel. Maar als Z.a moest ze dat aan kunnen, toch? De SOLAr verkenner was een zeer geavanceerde machine en kon de opdracht in 0,2 nano era afwerken. Philea had nauwelijks tijd om een broodje te eten. Een groen en een oranje lampje lichtten op. Dat betekende, er zijn antwoorden, maar mogelijk zijn niet alle antwoorden juist.

Philea opende het bericht:

‘De eerste aanduiding is ‘Hemelberg’, maar het vreemde is dat die alleen bekend is in de Griekse taal en een plaats aanduid  ver van de oorspronkelijke regio. De plaats is bekend als woonplaats van de god Zeus. De tweede aanduiding wijst op ‘Hemelpoort’. Ook die plaats ligt bij naspeuren veel verder weg, namelijk in het conflictgebied wat met ‘Palestina’ is aangeduid. Er staat bewaking bij deze poort onder aanvoering van een zekere Petrus’.

Philea ging er maar even voor zitten. Wat kon dit betekenen? Dit was een gecodeerd bericht. Een groep van minsten 2 wezens gingen op weg naar de god Zeus en fietsten daarbij langs Petrus en dat onder het motto van Iets Leren. Het moest toch wel haast zoiets zijn dat deze wezens de god Zeus een lesje wilden leren, maar daarbij die Petrus moesten uitschakelen, door over hem heen te fietsen. Dat kon niet goed zijn.

Philea wist wat haar te doen stond, een spoed onderhoud met de Galactische Raad aanvragen. Ze stelde een rapport op met alle feiten die ze inmiddels verzameld had. Ze veroorloofde zich de vrijheid een voorlopige conclusie te trekken; de god Zeus was in groot gevaar. En ze veroorloofde zich een pre-advies te formuleren, per slot van rekening was het tijd voor een promotie. Ze adviseerde de Raad een verkenner naar de Blauwe Planeet te sturen in een humane vermomming en met de opdracht om de groep van minimaal 2 wezens te infilteren onder het mom van versterking met tenminste een derde wezen. Deze verkenner kon dan informatie verzamelen en naar de Raad transmitteren, zodat een gefundeerde contra –actie gepland kon worden. En zo geschiede. Nee, voor de zekerheid stuurde de Raad twee verkenners in de vermomming van de bewoners van de Blauwe Planeet, er waren daar immers twee soorten humanen, dus beter van beide soort één te sturen.

Het duurde maar even of er kwam al bericht terug van de verkenners. “Het is hier wel leuk en we mogen wel mee doen maar dan moeten we eerst ‘betalen’. Het gaat om een transmissie van wat ze noemen 25 Euri per humaan. Dus kreeg de Tresor Generaal opdracht 2x 25 Euri aan te maken en te transmitteren naar de Blauwe Planeet. Nu hadden Reda 7 en Dlio 2 permissie in de groep te participeren. Het bleek om in totaal ruim 20 humanen te gaan.  Op een avond ontmoeten zij elkaar allen.
“Nu opletten”,  zei Reda 7 tegen Dlio 2, “want dit is onze kans om te weten te komen wat ze Zeus gaan aandoen en hoe ze die arme Petrus gaan bedreigen”.
“Ik neem alles op in mijn fludestore en dan kunnen we het na afloop zo door transmitteren”.
“Goed zo, jongen, maar doe voorzichtig’, want Reda 7 had nog al eens de neiging wat over Dlio 2 te moederen.

Al snel begrepen Reda en Dlio er niets meer van. Ze werden zeer hartelijk ontvangen, iedereen was vrolijk en vol goede moed. Er werd gesproken over mooie fietspaden, kamperen in de natuur, een biertje drinken en over ‘scholen’.  Na wat links en rechts aan de buur-humaan rond te vragen, bleken dat instellingen te zijn waar iets geleerd kon worden. Er werd dus ook aan hen gevraagd ‘Voor welke school fietsen jullie”?  Reda probeerde iets als ‘Onderwijs Instituut Zeus’ om te kijken of dat een hint zou opleveren in de richting van de verwachtte overval. Maar toen ze zei dat dat in Griekeland was (ja ze was heus wel goed gebrieft van te voren door Philea Z.a), was het commentaar dat dat geen ontwikkelingsland was. Hè???

Voor de avond om was vroeg ze nog of Petrus ook nog mee deed, of dat ze die gingen ontmoeten. Er was wel één humaan die dat een heel goed idee vond en die er direct wel een gesprek over wilde hebben, maar de andere humanen zeiden zoiets als ‘dat is je eigen zaak’. Na afloop kwam er een humaan naar hen toe, kennelijk een aanvoerder, die zei: ‘Jullie weten dat je verwacht wordt minstens 250 Euro in te brengen voor je sponsordoel hè. Je mag het ook voor mijn doel doen hoor’?

Totaal verward en uitgeput keerden Reda 7 en Dlio 2 naar hun lager terug. “Haal ons maar terug”, twitterde Reda7 aan de Z.a Philea, aan het eind van hun verslag, “we snappen hier niets van’. “Je blijft”, was het korte antwoord, “instructie volgt”.

Nadat de Galactische Raad twee maal vergaderd had en ook het Inter-Galactische Advies Orgaan zich er over had gebogen luidde de instructie aan Reda 7 en Dlio 2: “Mee doe, wij hebben voldoende Euri beschikbaar gemaakt die getransmiteert kan worden ten bate van een slecht presterende ‘school’ in het buitengebied van SOLA, de regio Gambaia. We sturen je kaarten van de route naar Griekenland. Ook zijn twee zogenaamde fietsen voor jullie besteld. Zoek ergens onderdak bij slecht weer”.

En zo verschenen op zekere ochtend Reda 7 en Dlio 2 bepakt en bezakt met twee splinternieuwe stalen rossen op de apelplaats voor de start van een angstaanjagend avontuur. Twee heren praatten wat tegen elkaar en toen liet één een bel horen en scheurden ze allemaal weg op hun fietsen. Reda en Dlio er moedig achteraan. Al na een korte era bleek dat de kaarten naar Griekenland absoluut niet voldeden. De andere fietsers reden een totaal andere kant op. Na een al flink vermoeiende tocht kwamen ze in een andere regio, men sprak van Duitsland. Daar werden door de meeste fietsers tenten opgezet, en Reda 7 en Dlio 2 gingen  radeloos op zoek naar een schuilplaats. Vreemd, die zogenaamd kwaadaardige humanen waren ook nu juist zeer behulpzaam. Geleidelijk aan probeerden Reda 7 en Dlio 2 zich in een groepje aan te sluiten. Hun tassen met spullen kon in een karretje dat door een zelfrijdende cabine werd voortgetrokken, zelfs hun transponders durfden ze er na een paar dagen in te laten zitten. Het fietsen ging daardoor al veel beter. Op zekere dag riep de voor-fietser, kennelijk was er één humaan aangewezen om altijd voorop te fietsen, ‘Kijk, daar rechts ligt Hemelpoort’. Reda 7 en Dlio 2 stopten, maakten vloeistof indrukken van de plaats, zochten naar Petrus. Dlio 2 vroeg er naar, “Waar is Petrus nou”?. Iedereen moest lachen, ‘dan moet je met een andere groep mee fietsen, als je Petrus wilt ontmoeten’. Enfin er volgden nog vele zware dagen, helemaal niet naar Griekenland, ze kwamen in Denemarken, reden eindeloos over wegen van een korrelige stof, lastig was dat, en zwaar. Maar ze hielden vol en na een laatste maar loodzware klim werden ze opgewacht door enkele snellere fietsers die juichend bij de poort van een groot park stonden.

“Kijk”, wezen ze in  de verte, ‘daar is de Hemelberg”.
“Woont Zeus daar”, vroeg Dlio 2.
“Nee, joh, daar woont Wodan”, riepen de anderen lachend.

Gelukkig had de Raad enkele assistenten gestuurd die hen opvingen en mee namen naar een laatste rustplaats op de Blauwe Planeet. De volgende dag mochten ze naar huis. Zeus was niet aangevallen, Petrus niet omver gefietst, maar er waren duizenden jonge humanen in verre uithoeken van de Blauwe Planeet die nieuwe dingen mochten leren. Dankzij al die Euri die de humanen bij elkaar hadden gefietst. Na terugkomst op hun planeet GewreV en na het opmaken van hun rapporten en hun debriefing voor de Raad, sprak de voorzitter van de Raad een dankwoord uit. “Dank voor deze dappere missie, dank voor het ons behoeden voor een misstap richting de humaniteit. Wij hebben begrepen dat humanen soms dingen doen voor de lol èn voor een goed doel waar wij nog iets van kunnen leren. We zullen ons daarop beraden. Wij bevorderen u Reda 7 tot Reda 8.0 en Dlio 2 mag zich voortaan Dlio 2* noemen.

Dismissed”.

Aarzelend bleven de kersverse Reda 8.0 en Dlio 2* nog dralen.
“Is er nog iets”, vroeg de secretaris van de Raad.
“ Uh … Mogen we misschien volgend jaar weer mee doen?, het was zo leuk”.
“ Ook dat nemen we in beraad”, zei de voorzitter

 Beilen, 10 december 2014.

(p.s.de Z.a  Phelia is bevorderd tot Z.c, voorlopig voor de tijd van 1,5 era)


Drie wijzen uit het oosten

een sprookje uit 2013

 

Er waren eens drie oude mannen, alle drie oud dus alle drie wijs. De oudste heette Raaimaar. Hij was zo oud, nog ouder dan zijn gewicht. Hij sprak altijd bedachtzaam, daaruit bleek zijn wijsheid, maar eigenlijk kon hij niet praten en denken tegelijk. De tweede heette Hoedan, hij was zo oud dat hij de doden achter zich had gelaten. Hij kon juist niet denken als hij ondertussen niet sprak. De jongste heette Kweenie, eigenlijk was hij nog te jong, maar omdat hij van veel zaken veel afwist, mocht hij ook meedoen. Hij kon altijd alles regelen, en gelukkig vergaten de andere mannen dan vaak wàt hij zou regelen. Daarom schreef Kweenie ook alles op, alles?

Ze zaten aan de grote tafel. “Ik heb een idee”, zei Raaimaar, en toen moest hij nadenken over zijn idee en hoe hij het zou zeggen. Hoedan en Kweenie begonnen er direct met elkaar over te praten. Het zou vast zus kunnen, of ook zo, en iedereen zou meedoen, en het zou mooi weer zijn of ook regenen, en ze moesten het opschrijven en nog veel meer.
“Stop”, riep Raaimaar, “het gaat over Levenskunst”.
Oh, maar daar wist Hoedan alles van, daar was hij mee grootgebracht. En Kweenie schonk er direct een lekker glaasje bij. “Proost, op de Levenskunst” en toen namen ze er nog een.
Raaimaar zei: “Het gaat over Nuttig en Aangenaam”.
“Natuurlijk”, riepen Hoedan en Kweenie in koor en Hoedan zag direct honderden mensen in een lekker zonnetje met allerlei nuttige zaken bezig, zoals elkaar belerend toespreken, wollen sokken breien voor de ‘kaalvoetigen’, en daken boven hoofden bouwen. Kweenie moest er even over nadenken, die vond iets doen wel nuttig en hij vond het het fijnste als het voor iemand anders was.
Ondertussen had Hoedan het ‘Groot Woordenboek der Nederlandse en Andere Talen’ opgeslagen. “Hier staat het”, zei hij. “Het is een wijze uitspraak van de bekende Schotse denker Mac Glenthol:
‘Levenskunst is de kunst om het nuttige met het aangename te verenigen. Meestal komt deze vaardigheid pas op latere leeftijd. In de eerste levensfase gaat het bij de mens vooral om het aangename, in de tweede fase gaat het om het nuttige en pas in de derde fase leert men de wijsheid om deze beide te verenigen’.” Of was het met die fasen nou net andersom? Die vertalingen waren vaak zo dubbelzinnig.
“Bravo”, riep Kweenie, Raaimaar knikte, want hij had nog niet bedacht wat hij moest zeggen. Hoedan had van al dat voorlezen een droge keel gekregen en schonk zich nog eens in.

“Mooi”, zei Raaimaar tenslotte,”nu we dit weten kunnen we aan de slag”.
“Goed”, zei Hoedan, “dan doe ik vooral het aangename. Kweenie is de jongste van ons drieën, die moet eigenlijk nog wel iets nuttigs doen. En dan kan jij Raaimaar ons verenigen, want jij lijkt de wijste”.
Zo gezegd zo gedaan. Kweenie ging geweldig aan de slag, met allerlei nuttige zaken. Hij schreef brieven, notulen, statuten, berichten en nog veel meer. Hij bleek een echte secretaris. En Hoedan telde het geld, dat vond hij nu eenmaal erg aangenaam. Vooral nu het nog bijna helemaal niets was. Raaimaar luisterde en keek en las mee en telde nog even na en toen hij zei dat het goed was, benoemden ze hem tot voorzitter.

Het werd winter, bittere kou joeg over het land. De oude mannen zaten diep weggedoken in hun warme huizen en met een goed glas levenswater droomden ze van zwemmen en wandelen, tennissen, golf en nog meer aangename zaken die ze allemaal in de zomer konden gaan doen. Maar was dat nuttig?

Raaimaar pakte zijn laptop en toetste een korte boodschap in: “Heren, we gaan fietsen”.
“Wie gaat dat betalen”? vroeg Hoedan per kerende mail, want hij had al dagen achter zijn PC gezeten wachtend op een bericht.
Kweenie antwoordde daarop “Ik weet wel iemand”.
Toen maakten ze een lange lijst van iedereen die zou willen en kunnen betalen. Kweenie schreef iedereen een brief, daar was hij immers secretaris voor, en zei: “Als jullie betalen, dat zou heel nuttig zijn. Dan zullen wij fietsen, dat lijkt ons erg aangenaam”.

‘t Ja, dat riep natuurlijk vragen op. Vragen als ‘Waar fietsen jullie naar toe’? of ‘Hoe lang gaat dat duren’? of ‘Hoeveel moet ik daarvoor betalen’? en gelukkig ook van een aantal mensen die vroegen ‘Mag ik ook mee fietsen’?

En de secretaris schreef aan iedereen een mooi antwoord en de penningmeester opende een speciale spaarpot waar alle mensen geld in mochten doen en de voorzitter ging naar de burgemeester om het plan uit te leggen.

En zo kwam het dat op een zonnige zaterdag de burgemeester met zijn hoge hoed op en zijn zilveren ketting om zijn hals, hij stond er helemaal krom van, een lange toespraak hield en toen iedereen juichte schoot hij pief paf poef in de lucht en toen fietsten ze allemaal weg. Kleine kinderen, bejaarde mannen en vrouwen, bepakt en bezakt, maar sommigen gingen gewoon met de auto. Te veel mensen om te tellen op de vingers van één hand, zelfs met al je handen en voeten kon je ze nog niet allemaal tellen.

Na twee weken kwamen ze vuil en vermoeid terug van de lange tocht naar de hoogste bergen. Ze waren zo moe en zo vuil dat ze de juichende menigte langs de wegen niet eens meer zagen. Van uitputting vielen ze haast van hun fietsen.

Na twee dagen slapen ontwaakte Hoedan. Hij knipperde met zijn ogen en toen zag hij zijn spaarpot staan. Hij telde en hij telde en er kwam geen eind aan. Hij schreef zijn vrienden Raaimaar en Kweenie een lange brief. Beste Vrienden”, schreef hij, “Ik heb nu twee dagen zitten tellen, mijn vingers zijn er blauw van. En nog zie ik de bodem van mijn spaarpot niet. Wat moeten we met al dat geld”?
“Ik weet het niet”, antwoordde Kweenie. “Ik heb het niet nodig”, antwoordde Raaimaar, “laten we het maar weggeven”.Ze staken de koppen bijeen.

Wat was nou het nuttigste en het aangenaamste wat ze konden bedenken. Wat was het leukste in hun eigen leven en bleek ook nog nuttig te zijn geweest.
“Leren fietsen”, riep Hoedan, “want anders hadden we nooit deze tocht kunnen fietsen”. “Ik weet het niet maar leren schrijven vond ik geloof ik wel leuk en het komt mij als secretaris nu goed van pas”, zei Kweenie. “Leren”, vatte Raaimaar de groepsdiscussie samen. “Zelf vond ik leren voorzitten wel leuk bij voorbeeld”.
“Leren lijkt ons dus het leukste en het nuttigste wat er is. Maar waar doe je dat”?
“In de kerk”, riep Hoedan, “In het leven”, zei Raaimaar. “Ik weet het”, zei Kweenie, “op school, daar schijnt men veel te leren en mijn kleinkinderen vinden dat heel leuk”.
Dus gingen de drie wijze mannen op zoek naar een school. Maar het moest natuurlijk wel een school zijn waar veel kinderen op zaten. En ook een school waar leren leuk was, voor iedereen. En het zou ook nog nuttig moeten zijn, niet zo’n school waar je alleen maar kon leren wat iedereen al wist.

Na lang zoeken vonden ze eindelijk drie scholen. Kweenie vond een school op een heel warm eiland, waar duizenden kinderen heel veel plezier hadden met heel nuttige dingen leren. Hoedan vond een school in donker Afrika, waar door regen en hitte de scholen steeds kapot gingen en er dan weer niets geleerd werd. Daar was leren dus heel nuttig, en de mensen zongen er van plezier een heel mooi en hoog lied. Raaimaar vond een klein schooltje ergens op het platteland waar olifanten en leeuwen nog om het schooltje slopen. De kinderen zaten er gewoon onder een boom en de meesters en juffen ook. Dat was gevaarlijk, dus angstig en niet aangenaam, en omdat het er vaak zo waaide en de kinderen de meester of de juf dan niet konden verstaan, was de les onder de boom ook niet erg nuttig. Daar wilden ze wel een echte school bouwen.

Zo gezegd, zo gedaan. Kweenie schreef weer mooie brieven naar iedereen die het maar weten wilde,
“Beste mensen”, schreef hij,
“We gaan scholen helpen, want Leren is Nuttig en Aangenaam.
Hartelijke groet”.

Hoedan leegde opnieuw de speciale spaarpot en deelde al het geld in drie keurige stapeltjes, heel eerlijk volgens het principe zij een beetje meer dan jij.

En Raaimaar wachtte geduldig af tot alles geregeld was.

Toen het winter werd kwamen de drie mannen nog één keer bij elkaar:
“Heren”, opende Raaimaar de vergadering.
“Bedankt”, en daarmee sloot hij de zitting.
“Mooi gesproken”, mompelden Hoedan en Kweenie.

René Huigens, 17 december 2013.